Omgaan met lastig gedrag

Gepubliceerd op 3 maart 2026 om 15:13

Workshop gedragsproblematiek

Op een van de inspiratiedagen van het Jan Tinbergen College stond het thema 'ondersteuning voor leerlingen' centraal. Op deze dag heb ik een workshop gegeven over hoe je als docent of mentor kunt omgaan met bepaalde gedragsproblemen.

Tijdens mijn workshop heb ik diverse paradigma’s belicht om collega’s inzicht te geven in meerdere theoretische modellen, zodat zij deze kunnen toepassen in hun praktijk en hun leerlingen op een andere manier kunnen ondersteunen. Daarnaast zijn de collega’s in groepjes aan de slag gegaan met casussen waarbij zij de opgedane kennis moesten toepassen om te ervaren hoe de theorie in de praktijk helpend kan zijn bij het bieden van de juiste ondersteuning aan de leerling.

Als uitgangspunt van mijn workshop heb ik de uitspraak: ‘Een ander perspectief levert je een ander beeld op’ van Bolhuis (2016). Deze uitspraak heeft als doel de deelnemers te prikkelen om op een andere manier naar het gedrag van de leerlingen te kijken dan ze gewend zijn. Hun toolbox om dit te kunnen doen vergroten, zodat ze achter onderliggende factoren komen die mogelijk het gedrag veroorzaken. Door de blik van een andere bril kunnen zij inzien dat een andere aanpak wellicht nodig is.


Voorkennis

Om mijn expertise als mentor en coach te verdiepen, heb ik in 2023 de masteropleiding Master Educational Needs gevolgd, met als specialisatie gedrag. Mijn keuze voor dit vakgebied komt voort uit mijn langdurige interesse in menselijk gedrag en de zichtbare en onzichtbare factoren die hierop van invloed zijn.

De opleiding heeft mijn inzicht in gedragsprocessen vanuit meerdere perspectieven versterkt en mijn handelingsrepertoire vergroot. Hierdoor ben ik beter toegerust om leerlingen doelgericht en passend te begeleiden, met specifieke aandacht voor de invloed van gedachten en gevoelens op hun gedrag.


Theoretische verkenning

Om het doel van de workshop te bewerkstelligen, hebben mijn collega’s en ik eerst een theoretische verkenning gedaan. De collega’s hebben middels mijn uitleg inzicht gekregen in welke paradigma’s er zijn en welke je kunt gebruiken om gedrag vanuit een ander perspectief te benaderen, zodat de oorzaken van het gedrag en achterliggende factoren die invloed hebben op het gedrag zichtbaar worden.

Presentatie Gedragsproblematiek
PDF – 7,0 MB 0 downloads

IJsbergmodel

Het ijsbergmodel van McClelland laat zien dat zichtbaar gedrag voortkomt uit onzichtbare drijfveren, motieven, waarden en overtuigingen. 

Door niet alleen naar het gedrag zelf te kijken, maar juist naar wat daaronder ligt, krijg je inzicht in de diepere oorzaken en onderliggende factoren die het gedrag van een persoon sturen.


Systeemtheorie

De systeemtheorie geeft inzicht omdat zij gedrag niet los ziet van de persoon, maar als onderdeel van een groter geheel. Ze kijkt naar onderlinge relaties, patronen en wisselwerkingen binnen een systeem (zoals gezin, team of organisatie). Daardoor worden onderliggende dynamieken, verborgen invloeden en terugkerende patronen zichtbaar die het gedrag mede veroorzaken of in stand houden.


Ontwikkelingsopgaven

Ontwikkelingsopgaven geven inzicht in gedrag omdat ze laten zien welke taken of uitdagingen iemand in een bepaalde levensfase moet verwerken. Als iemand vastloopt in zo’n ontwikkelingsopgave (bijvoorbeeld autonomie, identiteit of hechting), kan dat zich uiten in bepaald gedrag. Dat gedrag is dan vaak een reactie op een onvervulde behoefte, spanning of eerdere ervaring. Ontwikkelingsopgaven helpen om gedrag te begrijpen als een uiting van onderliggende ontwikkelingsprocessen, in plaats van alleen te kijken naar wat zichtbaar is aan de buitenkant.


Laddercultuur

De school-, straat- en cultuurladder van El Hadioui geeft inzicht in gedrag omdat het laat zien dat iemand zich beweegt tussen verschillende sociale werelden (school, straat en thuis/cultuur), elk met eigen normen, verwachtingen en codes. Spanningen of botsingen tussen die werelden kunnen gedrag verklaren en maken onderliggende, vaak onzichtbare invloeden zichtbaar.


Neuropsychologie

Neuropsychologie onderzoekt hoe hersenstructuren, informatieverwerking, emoties en executieve functies gedrag beïnvloeden.
Daardoor kun je begrijpen welke onderliggende, onzichtbare factoren zoals prikkelverwerking, impulscontrole of geheugenproblemen  een rol spelen bij iemands gedrag.


Positieve psychologie

De positieve psychologie richt zich op krachten, behoeften en drijfveren in plaats van alleen op problemen.
Daardoor krijg je zicht op wat iemand motiveert, waar iemand energie van krijgt en welke onvervulde behoeften of gemiste kwaliteiten onder gedrag kunnen schuilgaan.


Behaviorisme

Het behaviorisme geeft inzicht omdat het gedrag observeerbaar maakt en laat zien hoe omgeving, prikkels en beloningen iemands reacties en gewoonten vormen, waardoor onderliggende leerpatronen en invloeden zichtbaar worden.


Theorie in praktijk toepassen

Na het bespreken van verschillende paradigma’s besproken die helpen om de oorzaken van gedrag beter te begrijpen, zijn de collega's aan de slag gegaan met casus- en rollenspellen, waarin de theorie direct werd toegepast. Door het gedrag vanuit meerdere brillen (paradigma’s) te benaderen, konden zij achterliggende oorzaken verkennen, het gedrag beter begrijpen en tot passende interventies komen


Interventies

Om de collega's op weg te helpen met het uitwerken van het casusspel- en rollenspel heb ik een drietal interventies met ze doorgenomen:

  • GGGGG-Schema:

      Het GGGGG-schema is een gestructureerde interventie- of analysemethode om gedrag en ervaringen beter        te begrijpen en te kunnen beïnvloeden. Onderstaande vragen worden gesteld:

  1. GGebeurtenis: Wat gebeurde er precies?
  2. GGedachten: Welke gedachten had de persoon bij deze gebeurtenis?
  3. GGevoelens: Welke emoties kwamen hierdoor op?
  4. GGedrag: Hoe reageerde de persoon?
  5. GGevolgen: Wat waren de gevolgen van het gedrag?

      Dit schema helpt je om een situatie stap voor stap te analyseren, inzicht te krijgen in de relatie tussen gedachten, gevoelens en gedrag, en interventies te plannen om gewenst gedrag te bevorderen.

    • Gedragsfunctieanalyse (ABC+uitbreiding):
      De interventie richt zich op het onderzoeken waarom een bepaald gedrag plaatsvindt. Je kijkt naar de omstandigheden (triggers), het gedrag zelf, en de gevolgen ervan om de functie of het doel van het gedrag te begrijpen. Dit helpt om interventies te ontwerpen die het gedrag beïnvloeden door de oorzaken aan te pakken, in plaats van alleen het gedrag te straffen of te belonen. 

     

    • CICO gesprekken: 
      Het is een gedragsinterventie die vaak op (Amerikaanse-) scholen wordt gebruikt om leerlingen te                    ondersteunen die extra structuur en positieve feedback nodig hebben.
    1. Check-In in de ochtend: de leerling bespreekt samen met een mentor of leerkracht doelen voor de dag en krijgt een korte planning.
    2. Gedurende de dag: de leerling ontvangt tussentijdse feedback op gewenst gedrag, vaak via een gedrags-/score-/stickerkaart.
    3. Check-Out aan het einde van de dag: de leerling bespreekt met de mentor hoe de dag is verlopen, welke doelen zijn gehaald, en ontvangt positieve bekrachtiging of tips voor verbetering.

         Het idee is dat de leerling consistent positieve aandacht en begeleiding krijgt, waardoor gewenst gedrag           versterkt wordt en ongewenst gedrag afneemt.


    Brillenspel

    De docenten ontvangen een stapel met brillen en een stapel met casussen.
    Elke collega neemt een brillenkaartje; vanuit die bril proberen ze het gedrag te begrijpen en vanuit daar een interventie te ontwerpen om het gedrag positief te ondersteunen.

    Vervolgens pakt elke collega een ander brillenkaartje, zodat duidelijk wordt dat gedrag vanuit verschillende perspectieven bekeken kan worden.

    Zo wordt inzichtelijk dat soms meerdere perspectieven nodig zijn om gedrag volledig te begrijpen en effectief aan te pakken.


    Rollenspel

    Na het brillenspel gingen de collega’s aan de slag met een rollenspel.

    Elk groepje kreeg kaartjes: één voor de docent en één voor de leerling. Op het docentkaartje stond een vervelende lessituatie beschreven, terwijl op het leerlingkaartje de reden voor het gedrag van de leerling was aangegeven.

    Het doel van het rollenspel was dat docent en leerling in gesprek zouden gaan over de vervelende situatie. De docent moest het gedrag benaderen vanuit een zelfgekozen paradigma, met als doel tegemoet te komen aan de behoeften van de leerling en zo een gedragsverandering te bevorderen.

    Een derde collega observeerde het gesprek en gaf achteraf feedback.