Leesvaardigheid
Normaliter oefenen wij leesvaardigheid door middel van oud-examens en leesteksten uit de methodeboeken. Dit keer heb ik er echter voor gekozen om leesvaardigheid op een andere manier in te zetten. In leerjaar 3 oefen ik leesvaardigheid naast oud-examens en leesteksten uit een methodeboek ook met een literatuurboek. De reden hiervoor is om de leerlingen plezier te laten krijgen in het lezen.
Reden van keus literatuurboek
Ik heb voor Die ganze Wahrheit, Carsten Tsara hat Besuch gekozen, omdat in dit verhaal een misdrijf wordt gepleegd. Leerlingen moeten aan de hand van het verhaal een misdrijf oplossen. Ik heb gemerkt dat het crime-effect de leerlingen motiveert om het verhaal te lezen.
Hoe werkt het?
De leerlingen krijgen een literatuurreader waarin de vragen en bijbehorende opdrachten staan. Als we aan de literatuurreader werken, krijgen de leerlingen het bijbehorende leesboek.
- De docent leest gezamenlijk met de leerlingen de hoofdstukken uit het boek. De docent vat per hoofdstuk samen met de leerlingen wat er gelezen is. Hierbij ligt de input nadrukkelijk bij de leerlingen. Als er geen respons vanuit de leerlingen komt, probeert de docent door begeleidende vragen het hoofdstuk toch samen te vatten. De docent kauwt niets voor; dit zorgt ervoor dat de leerlingen niet onderuitgezakt gaan zitten en niet actief meelezen.
- Tussentijds vraagt de docent of de leerlingen al een idee hebben wie het misdrijf gepleegd heeft en wat er volgens hen gebeurd is. Dit houdt het enthousiasme geprikkeld om te achterhalen wat er in het verhaal gebeurd is.
- Na het lezen en samenvatten van de hoofdstukken gaan de leerlingen in tweetallen aan de slag. Ze moeten een aantal deelopdrachten uitwerken om te achterhalen wat er precies gebeurd is.
- De docent kijkt per deelopdracht na en geeft feedback waar nodig. Per deelopdracht krijgen de leerlingen een ‘go’. Na de ‘go’ mogen ze verder met de opdracht.
Deelopdrachten
- De leerlingen noteren welke personages in het boek voorkomen. Elk personage moeten ze uitgebreid beschrijven. Ook is het van belang dat ze een connectie kunnen leggen tussen de personages. Denk aan de volgende vragen:
- Hoe heet het personage?
- Wanneer komt het personage in het verhaal voor?
- Waarom komt het personage in het verhaal voor?
- Met wie heeft het personage contact?
- Wat voor soort relatie heeft het personage met de andere personages in het verhaal?
- In het verhaal worden veel leugens verteld. De leerlingen noteren per personage de leugens van dat personage. Bij elke leugen hoort een waarheid; deze moeten ze ook noteren.
-
De leerlingen hebben tijdens het lezen van het verhaal een tijdlijn bijgehouden. Ze moeten een tijdlijn maken met de belangrijkste gebeurtenissen uit het verhaal.
-
De leerlingen moeten de titel en ondertitel van het verhaal uitleggen.
-
De leerlingen moeten een verhaallijn kiezen en deze toelichten.